Inleiding
In 2006 werd 10 jaar Experiment Gaasterland, de Gaasterlandse aanpak van agrarisch en particulier natuurbeheer, geëvalueerd. Er werd een uitdrukkelijke wens uitgesproken om tot een groter aantal broedparen van weidevogels te komen in Gaasterland. Overmatige predatie werd als belangrijke oorzaak voor de teruggang genoemd.
Geheel in Gaasterlandse traditie wordt gestreefd naar een aanpak van onderop waarbij boeren, grondeigenaren, vogelbeschermers, natuurbeheerders en andere partijen uit het gebied zelf tot samenwerking komen, het probleem verkennen en tot een integrale aanpak komen die in het gebied breed gedragen wordt.
Onderzoek
Om invulling te geven aan de doelstelling zijn enkele activiteiten ontplooid die moeten leiden tot een beter inzicht in de huidige stand van zaken m.b.t. de weidevogelpopulatie en de predatie. Er is een projectgroep opgezet, bestaande uit vertegenwoordigers van de vogelwachten, Bosk & Greide, de jagersvereniging en SBNL.
De vogelwachten hebben op basis van inventarisaties en ervaring zeven kansrijke weidevogelgebieden aangewezen. Informatie is verkregen uit de nazorgformulieren en notities van de nazorgers. Vele nazorgers noteren naast het aantal reguliere nazorggegevens (waartoe ook predatiegegevens horen) ook andere veldwaarnemingen die van belang zijn voor de ontwikkeling van de weidevogelstand. De gegevens van 1997 tot en met 2007 zijn verwerkt om te kunnen beoordelen hoe de weidevogelpopulatie zich in de afgelopen jaren heeft ontwikkeld.
Omdat de vos van belang is als predatiefactor zijn afschotgegevens van de vos en tellingen van vossenburchten verzameld door de jagersvereniging. De roofvogelwerkgroep heeft, ter voorkoming van een eventuele roofvogelvervolging, geen gegevens van de roofvogelpopulatie aangeleverd. De das is voor een zeer gering aandeel verantwoordelijk voor de predatie van weidevogels. De inventarisatiegegevens van de dassenpopulatie zijn daarom niet meegenomen in het onderzoek.
De landelijke tendens ten aanzien van weidevogels, namelijk achteruitgang van de weidevogelpopulaties, geldt ook voor Gaasterland. Het lijkt erop dat na jaren achteruitgang de situatie gestabiliseerd is.
De vos is met een aandeel van 45% de hoofdoorzaak voor nestverlies van weidevogels. Agrarische activiteiten als maaien, gieren, ploegen en beweiding zijn met een aandeel van 14% een goede tweede en een goed herkenbare verliesoorzaak. Kraaiachtigen zijn met 12% verantwoordelijk voor nestverlies. Het aandeel 'onbekend' is maar liefst 18% en dient daarom nader onderzocht te worden.
Resultaat
De resultaten van het onderzoek dienen als handvaten om voor de komende tien jaar met concrete en structurele maatregelen te komen ten gunste van de Gaasterlandse weidevogelpopulatie.
Tussen de betrokken partijen in Gaasterland is intensief contact geweest om een aanzet te kunnen geven tot een meerjarig project waarbij de Gaasterlandse weidevogelpopulatie minimaal stabiliseert, maar bij voorkeur toeneemt. In de regio zijn voldoende mogelijkheden aanwezig en is er draagvlak om hiertoe actie te ondernemen.